Klik hier voor uitleg over het logo

Bureau Meanders
Werken met perspectief en bewustzijn


 
Artikelen

 

 


 

 

 

 

Voorbij de grens tussen mens en natuur: van beheersing naar zorg

in: Franciscaans Leven, jrg. 78, nr. 8, 1995
© Chris Elzinga

In onze westerse cultuur zijn we gewend geraakt aan het idee dat we geen deel meer uitmaken van de natuur. We denken dat we de natuur als ingenieurs naar onze hand kunnen zetten. Deze beheersingsgedachte blijkt zo langzamerhand een doodlopende weg te zijn. De natuur stelt grenzen die zich niet laten manipuleren. In mijn bijdrage ga ik op zoek naar een houding die van binnen uit rekening houdt met deze grenzen. Hiertoe schets ik aan de hand van enkele stappen wat we nodig hebben om de natuur weer als onze oorsprong te kunnen ervaren.

de kloof tussen mens en natuur

Onlangs las ik in een krant: "Toeristen moeten betalen voor schade aan milieu". Uitgelegd werd dat "de schade die toerisme toebrengt aan het milieu moet worden verwerkt in de prijs van toeristische producten en diensten". Blijkbaar kunnen we in onze huidige cultuur alleen nog via onze portemonnaie ervaren dat we de natuur beschadigen. Dit is typerend voor de afstand die we gecreëerd hebben tussen de natuur en onszelf. Schade aan de natuur ervaren we niet als schade aan onszelf.

Het is ook niet zo verwonderlijk dat we ons zo ver van de natuur verwijderd voelen. We hebben een kunstmatige en technische omgeving geschapen met comfortabele huizen en met kunstlicht verlichte werkplaatsen, we wonen in versteende steden en verplaatsen ons zoveel mogelijk in van weer en wind afgeschermde vervoermiddelen. Zo lijken we ons in onze verstedelijkte samenleving losgemaakt te hebben van de natuur. Natuur is iets van buiten de stad, iets dat niet meer tot onze directe werkelijkheidsbeleving behoort.

Hoewel het duidelijk is dat we lichamelijk, fysisch, tot de natuur behoren, heeft met name de westerse mens al eeuwenlang juist de verschillen benadrukt. Daarbij geldt sinds de 18e eeuw de rede als het meest gebruikte en belangrijkste onderscheid tussen mens en dier. Op dit criterium is een ethiek gebaseerd die in onze cultuur nog steeds leidraad is voor het menselijk handelen. Eén van de grondregels van deze ethiek is dat mensen vanwege hun rede alleen als doel, maar nooit als middel benaderd mogen worden. Mensen zijn vanuit zichzelf waardevol. Andere levende wezens hebben in deze redenering geen rede en mogen wel als middel gebruikt worden, ze zijn niet waardevol in zichzelf.

het beeld van de ingenieur die de natuur beheerst

Deze ethiek heeft een heel specifieke manier van omgaan met de natuur mogelijk gemaakt. Eenmaal apart gezet binnen de natuur, was het maar een kleine stap de mens als het ware buiten de natuur te plaatsen. Dit werd in de belevingssfeer ondersteund door ontwikkelingen op het vlak van verstedelijking, landbouw en techniek. Mensen werden steeds meer toeschouwer, iemand die de natuur van buitenaf leek te benaderen. Uiteindelijk werd hij halverwege onze eeuw de externe ingenieur die over zoveel wetenschappelijke en technische kennis beschikte dat hij de natuur volledig naar z'n hand kon zetten. Althans, volgens het gangbare mensbeeld.

Dit mensbeeld een sterke doorwerking gehad in het natuurbeeld. Eenmaal ontdaan van eigen (intrinsieke) waarde lag de hele levende en niet levende natuur open voor een productiewijze die alleen rekening hield met economische waarden, uitgedrukt in geld. Wetenschappers togen in de periode na de 2e wereldoorlog aan het werk om op allerlei gebieden de productiviteit van de aarde te vergroten. Grenzen aan het draagvermogen van de aarde waren manipuleerbaar en leken verder weg dan ooit. Het gevolg was een in de geschiedenis ongekende exploitatie van de natuur.

grenzen aan het draagvermogen van de aarde

Sinds het begin van de 70-er jaren is op allerlei manieren duidelijk geworden dat het draagvermogen van de aarde grenzen heeft die zich niet laten manipuleren. De inspanningen om de productiviteit van de aarde te vergroten bleken allerlei onbedoelde en onvoorziene effecten te hebben: aantasting van de ozonlaag, opwarming van de aarde met als gevolg klimaatverandering, vergroting van stralingsrisico's bij het gebruik van kernenergie, etc. Wetenschappers meenden de natuur in hun greep te hebben, maar niets bleek minder waar: de natuur bleek de negatieve gevolgen van de produktiviteitsverhoging naar mensen terug te kaatsen. We bleken meer deel uit te maken van de natuur dan ons lief was.

Al deze signalen hebben echter geen verandering gebracht in het gangbare beeld van de ingenieur die van buiten af de natuur beheerst. Integendeel, nog nooit is het beroep op de ingenieur zo groot geweest. Dit laat zich illustreren door het Nederlandse milieubeleid dat "milieubeheer" wordt genoemd. Of het nu gaat om beheer of beheersing, in beide gevallen maakt de beheerder of de heerser geen deel uit van de natuur. Hij is de vreemdeling middenin ("en milieu") zijn omgeving.

Bovendien heeft het milieubeleid de kloof tussen mens en natuur verder vergroot door het begrip milieu tussen mens en natuur te plaatsen. En door vervolgens het milieu centraal te stellen. Het milieu is daarin een deel van de dode natuur, uitgedrukt in abstracte kengetallen: inschattingen van risico's die mensen lopen ten gevolge van milieubelasting. Het milieu wordt niet beschermd omwille van het milieu zelf, laat staan omwille van de natuur, maar omwille van de risico's die mensen lopen.

vertrouwen in de techniek

De gangbare mens- en natuurbeelden sluiten nauw aan op het in onze cultuur dominante maatschappijbeeld, waarin het vanzelfsprekend is voor allerlei problemen technische oplossingen te zoeken. In dat kader is het typerend dat het Nederlandse milieubeleid nieuwe technologieën beschouwt als de "schone motor van onze economie". Als technologische doorbraken op tijd komen (en daar wordt niet aan getwijfeld) hoeft de houding van mensen niet fundamenteel te veranderen. Dat wordt ook als riskant beschouwd, vooral voor het bestaande economische en politieke bestel. Technische oplossingen worden gezien als een veilige weg.

Deze technische reflex van de ingenieur gaat echter voorbij aan de culturele context waarbinnen technologie-ontwikkeling plaats vindt. De ontwikkeling en vooral ook het gebruik van technologie die rekening houdt met de natuur zal pas ontstaan, wanneer de houding van mensen ten opzichte van de natuur verandert. Zolang dit niet het geval is, is een groot vertrouwen in de techniek voorbarig.

Daarnaast wordt wel heel veel van technische doorbraken verlangd. Het is immers onduidelijk hoe een exponentieel groeiend economisch systeem, dat een steeds meer materialen en energie nodig heeft, binnen het draagvermogen van de aarde kan blijven. Om de hele wereld op het welvaartsniveau van Nederland te brengen is in de komende 20 jaar een productie nodig die 10 keer zo groot is dan nu het geval is, met alle schade aan de natuur van dien. Technische oplossingen vormen hoogstens een stap naar een samenleving die rekening houdt met de natuur. Uiteindelijk is onze houding ten opzichte van de natuur cruciaal.

een andere verhouding tot de natuur

Het spoor van de externe ingenieur is een doodlopende weg. Steunend op zijn vertrouwen in "man-made" technische oplossingen heeft hij voortdurend de neiging grenzen van de natuur te onderschatten en zijn mogelijkheden tot beheersing van de natuur te overschatten. Maar wat moet er veranderen opdat de ingenieur in ons op een goede manier met die grenzen leert omgaan?

Allereerst zullen we er ons terdege bewust van moeten worden dat de aarde grenzen aan onze activiteiten stelt. Verder zullen we zelf grenzen moeten stellen aan ons eigen handelen ten opzichte van de natuur, opdat we niet in een situatie van overleven terechtkomen. Daarin ligt de uitdaging, en tegelijkertijd liggen daarin ook onze mogelijkheden. We beschikken als mensen over vrije wil en verbeeldingskracht. Het gaat erom deze kwaliteiten in te zetten om een goede verhouding tot de natuur te realiseren.

Het hele bouwwerk van onze beheersingsgedachte is gefundeerd op de splitsing die we hebben aangebracht tussen mens en natuur. Als we afstand willen doen van die beheersingsgedachte, komt de weg vrij die splitsing ter discussie te stellen.

open leren staan voor de natuur

Anders omgaan met de natuur begint met open leren staan voor andere gezichtspunten dan de gebruikelijke.
"Ik ontvluchtte laatst vanwege de hitte mijn kantoor. Ik zocht de koelte op van bomen om daar te kunnen werken. En koelte vond ik in de Kennemmer Duinen. Het aangename leven. Maar ik vond meer. Bomen, speelplaats voor kinderen, broedplaats voor vogels. In de vorm van papier zijn ze voertuig van mijn gedachten. Bomen geven mij lucht en zij ademen mijn lucht in. Het bos is voor mij een plek waar ik tot rust kom en helder word. Of het nu komt door het stille ruisen van de bladeren, de tijd die er lijkt stil te staan, ik kan het niet volledig duiden. Misschien is er veel meer, en ben ik zo in mijn gedachten opgesloten dat ik alleen de atmosfeer van rust ervaar. Waarom voel ik me hier zo thuis en ebt mijn spanning zo gemakkelijk weg? Bomen spreken niet. Of toch, een taal die alleen zij verstaan die er zich voor open kunnen stellen? Ik moet er niet aan denken dat er geen bos meer zou bestaan ..."
(27 juli 1995)

verkenning van een andere verhouding

Aan de hand van enkele stappen wil ik een paar mogelijkheden verkennen om tot een andere verhouding tot de natuur te komen. Dit vereist een houding waarin we ons open stellen voor dimensies die de natuur in zichzelf kan vertegenwoordigen en waarin we onze eigen afzijdige positie van toeschouwer opgeven.

De eerste stap is die van de twijfel aan onze gebruikelijke beoordeling dat de natuur buiten mensen geen waarde in zichzelf heeft. Kant heeft beargumenteerd dat het andere nooit volledig voor ons kenbaar is: er blijft altijd iets over als het "Ding an sich". Als dat zo is, kan het zo zijn dat we iets heel essentieels over het hoofd zien, wat juist uitermate waardevol is. Wat is bijvoorbeeld datgene waardoor planten, dieren, mensen leven? Leven is niet tot pure chemie te reduceren. We kunnen het met onze zintuigen waarnemen, maar niet met onze gebruikelijke begrippenkaders verklaren. Alleen deze twijfel zou al voldoende moeten zijn om voorzichtig met de natuur om te gaan, in ieder geval met wat wij de levende natuur noemen.

Een tweede stap is te kijken naar wat de natuur en mensen verbindt. De laatste eeuwen is de nadruk gelegd op wat ons van de rest van de natuur onderscheidt, zoals de "rede". Maar wat ons in ieder geval met de levende natuur verbindt is "leven". We achten ons eigen leven uitermate waardevol. Wat geeft ons dan het recht het leven van andere wezens, dieren of planten, naar ons eigen goeddunken te gebruiken? Ervan uitgaande dat "leven" waardevol is, is minimaal een houding van respect voor al wat leeft gepast.

Een derde stap is te erkennen dat we deel uitmaken van de natuur. Weliswaar leven we steeds meer in een kunstmatige en technische omgeving, toch blijft de natuur ons leven in belangrijke mate bepalen. Dat merken we vooral wanneer natuurkrachten ons leven in de war schoppen, bijvoorbeeld bij overstromingen, stormen, sneeuwstormen en ijzel, hittegolven, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen. Meer indirect zullen we de komende decennia te maken krijgen met de gevolgen van klimaatveranderingen die we zelf in gang hebben gezet door de verbranding van fossiele brandstoffen. De aarde is geen laboratorium waar we alleen tijdens werkuren in verblijven, maar het is ons huis, waarin we ons hele leven doorbrengen. Vanuit het besef dat we ons niet buiten de natuur kunnen plaatsen, zal onze houding ten opzichte van de natuur er een moeten zijn van aandacht en zorg.

Een vierde stap is de erkenning dat wij mensen uit dezelfde bron voortkomen als de rest van de levende natuur. Vanuit wetenschappelijke hoek heeft de evolutietheorie hiervoor aanwijzingen geleverd. Vanuit religieuze beleving is het besef altijd aanwezig geweest dat wij als deel van de natuur geschapen zijn. Dit is heel duidelijk in de spiritualiteit terug te vinden die gebaseerd is op de ervaringen van Franciscus van Assisi. Hij beschouwde de mens bij uitstek als één van de schepselen op aarde. Weliswaar zijn mensen bijzondere schepselen, met een geheel eigen aard. Maar er is niets waaraan zij binnen de schepping een aparte status kunnen ontlenen. Dit staat haaks op de dominante christelijke en wetenschappelijke tradities, die juist de bijzondere plek van mensen binnen de schepping resp. de evolutie hebben benadrukt. Wanneer we daarentegen de nadruk leggen op de gemeenschappelijke bron waaruit we voortkomen, kunnen we ons open stellen voor een besef van verbondenheid met en gelijkwaardigheid ten opzichte van de rest van de natuur.

Een vijfde stap is de ontdekking dat mensen en de overige natuur in essentie gelijk zijn. Dit gaat verder dan gelijkwaardigheid. De hele natuur, onszelf incluis, kunnen we zien als expressie van bewustzijn. Ook wat wij de "dode" natuur noemen zou op deze manier expressie van bewustzijn kunnen zijn. In meer religieuze taal uitgedrukt is de hele natuur als schepping een beeld, expressie van de Schepper. Misschien is dat wel de essentie van het "Zonnelied" van Franciscus waarin hij al zijn medeschepselen lof laat zingen aan hun Schepper, voor wat en wie ze zijn. Tegelijkertijd zijn we allemaal individuele expressie, verschillen we dus van elkaar in de manier waarop we uitdrukking geven aan dat bewustzijn. Daarin zijn wij mensen verschillend van dieren: we kunnen vrije wil en verbeeldingskracht inzetten, dieren kunnen dit niet. Maar in onze essentie, als expressie, zijn we gelijk. Een dergelijk eenheidsbesef maakt de weg vrij voor eerbied, respect en uiteindelijk ook voor liefde voor de hele natuur.

Via deze stappen wordt de splitsing tussen ons en de natuur langzaam opgeheven. Ze te volgen vergt heel veel en niet iedereen zal alle stappen kunnen maken. In de eerste plaats zullen we ons open moeten leren stellen voor andere werkelijkheidsbelevingen dan die we binnen onze cultuur gewend zijn. In de tweede plaats is niet elke stap puur op basis van het verstand te maken. Ervaring en beleving nemen een belangrijke plaats in. Soms zal eerbied en respect eerst moeten komen, voordat een beleving van verbondenheid en verwantschap ervaren kan worden. Daar kan dan verstandelijke reflectie op volgen. Het verstand is dus niet uitgeschakeld, maar het is één van de middelen waarmee we de natuur kunnen leren kennen.

een nieuw perspectief

Waar zal een besef van verbondenheid met de natuur, de opheffing van de splitsing toe leiden? Wat zal er veranderen wanneer we de natuur met aandacht, eerbied, respect en liefde gaan benaderen? Ik noem enkele mogelijkheden.

Paradoxaal genoeg zullen we door het opheffen van de denkbeeldige grens tussen onszelf en de natuur de fysieke grenzen van de natuur beter leren kennen. Door meer aandacht en respect zullen we sneller in de gaten krijgen waar en wanneer we de natuur geweld aandoen. Aan de andere kant zullen we beter in kunnen spelen op mogelijkheden die de natuur ons biedt. Dat is de omslag van het bewerken en exploiteren van de natuur naar samenwerken met de natuur.
Terughoudendheid ten aanzien van het gebruik van de natuur komt dan niet meer voort uit een heilig moeten, uit moraal, maar uit liefde en respect. We zullen minder auto rijden of vliegen, omdat we de natuur niet willen vergiftigen en omdat we de schade aan de natuur in onszelf ervaren.
Dit zal door moeten werken in het politieke debat. In dit debat zullen ethische keuzes omtrent de omgang met de natuur randvoorwaarden moeten scheppen voor economische en technologische ontwikkelingen.
Wanneer de beheersingsgedachte wordt losgelaten ontstaat ruimte om het milieubeleid om te vormen tot milieuzorg, of nog verder tot natuurzorg.
Het opheffen van de splitsing tussen ons en de rest van de natuur betekent een mogelijkheid ons met de natuur te verzoenen. We reageren dan niet meer vanuit een permanente vervreemding en er is geen reden meer onszelf verheven te voelen boven de natuur.
Dit betekent niet dat we alle angst en geweld uit kunnen bannen. Daarvoor zijn die teveel met de menselijke psyche verbonden. De wereld wordt niet ineens "pais en vree". Een houding van eerbied en respect zal echter wel het permanente karakter van angst en geweld in onze samenleving doen verminderen, die een belangrijke voedingsbodem vormen voor de beheersingsgedachte.

Niemand kan garanties geven dat dit perspectief werkelijkheid kan worden. Wel is een houding van aandacht en zorg, liefde en respect een noodzakelijke voorwaarde om van binnen uit rekening te leren houden met de grenzen die de natuur stelt.

Noten

1) Rede is het vermogen tot begripsmatig inzicht en onderkennen van samenhangen op basis van het verstand.
2) V. Plumwood, 'Nature, Self and Gender: Feminism, Environmental Philosophy, and the Critique of Rationalism', in: Zimmerman, M.E. (ed.), 'Environmental Philosophy', Prentice Hall, New Jersey, 1993, p. 284-309. Plumwood stelt dat de splitsing tussen mens en natuur door heeft gewerkt in splitsingen man - vrouw en verstand - gevoel. Het mannelijke verstandelijke werd superieur geacht boven de natuur, de vrouw en het gevoel.
3) Een analyse van het milieubeleid heb ik gemaakt in: 'Het natuur- en milieubeeld in het Nederlandse milieubeleid; over vertrouwen in de beheersbaarheid van de milieuproblematiek', Haarlem, 1995. Het stuk is een paper gemaakt ter afsluiting van een college over ecologische theorievorming. Het is verkrijgbaar bij de auteur.
4) J.M. Cramer, W.C.L. Zegveld, 'Schoon produceren: wie kan er wat aan doen?', in: Commissie Lange Termijn Milieubeleid, 'Het Milieu: denkbeelden voor de 21ste eeuw', Kerckebosch, Zeist, 1990, p. 391-410
5) H. Achterhuis, 'Natuur tussen mythe en techniek', Ambo, Baarn, 1995.
6) Uit 'De geschriften van Franciscus van Assisi', Gottmer, Haarlem, 1987, p. 106 en 107, de "Vijfde Vermaning": "(1) Houd voor ogen, gij mens, op welke verheven hoogte de Heer God u geplaatst heeft, want Hij heeft u geschapen en gevormd tot een beeld van zijn geliefde Zoon naar het lichaam en tot een gelijkenis naar de geest. (2) En alle schepselen die onder de hemel zijn, dienen, kennen en gehoorzamen naar hun aard hun Schepper beter dan gij." "(7) Zo ook: al zoudt gij mooier en rijker zijn dan alle anderen en zelfs al zoudt gij wonderbare dingen doen, zodat gij duivels op de vlucht jaagt, al deze dingen zijn in strijd met uw aard en niets daarvan is van uzelf, en op niets daarvan kunt gij roemen." Ik begrijp dit zo, dat het er niet om gaat rijk te zijn, goed te doen etc., wanneer we daar iets aan willen ontlenen. Dat geldt met name ook voor onze ratio: "(5) Want ook al zoudt gij zo scherpzinnig en wijs zijn, dat gij alle kennis zoudt bezitten en al zoudt gij alle soorten talen kunnen verklaren en al zoudt gij hemelse dingen scherpzinnig kunnen doorgronden, dan nog kunt gij niet roemen op al deze dingen." Waar het op aan komt is te leven volgens onze aard als schepsel: beeld te zijn van de Schepper.
7) In de loop van de tijd hebben heel wat mensen een dergelijk eenheidsbewustzijn ervaren. Mystici verhalen ons hiervan. Een hedendaags verslag is bijvoorbeeld te vinden in: M.J. Roads, 'Een met de natuur, een spirituele reis', Ankh-Hermes, Deventer, 1991.
8) Uit 'De geschriften van Franciscus van Assisi', Gottmer, Haarlem, 1987, p. 220-225: "Lofzang van de schepselen", ook wel het Zonnelied genoemd. Hierin laat Franciscus zijn Schepper lof toezingen door zon, maan en sterren, wind, lucht en wolken, water en vuur, de aarde en de planten, door mensen en tenslotte door de dood.
9) Dit is overigens iets heel anders dan aanbidding van de natuur. Dat zou leiden tot een nieuw soort animisme.

Top

Bureau Meanders
Koppestokstraat 63, 2014 AN Haarlem
tel. +31 (0)23 5247542, +31 (0)6 15474998