Een zelfoordeel is in feite een innerlijk conflict. Daarin oordeelt een innerlijke criticus (superego) over een ander deel van jezelf, dat niet zo adequaat reageert als jij (als de criticus) zou willen. Vaak is dat andere deel een innerlijk kind. Hoe reageren beiden op elkaar?

De energieën van zelfoordeel

In het vorige artikel in deze serie heb ik laten zien dat je bij een zelfoordeel te maken hebt met een conflict tussen twee innerlijke delen. Het ene deel is de innerlijke criticus/rechter alias het superego. Die weet precies wat ‘je’ fout doet en hoe je je wel moet gedragen. In ieder geval moet je anders zijn dan je bent; je bent zeker niet goed (genoeg) zoals je bent. De energie van het superego is krachtig en zelfbewust, maar heeft vaak ook een hardvochtige, koude kant, die soms genadeloos aanvoelt.

Hardvochtigheid van zelfoordeel

Het andere deel, waar het zelfoordeel op gericht is, voelt zich onzeker, inadequaat, het heeft geen antwoord op de situatie en kan vaak niet goed uit zijn/haar woorden komen. Het voelt zich klein, hulpeloos, machteloos als een kind. Als je dit gevoel serieus neemt, besef je misschien dat je je op dat moment vereenzelvigt met het bewustzijn van een kind. Een kind zoals je vroeger was, dat nu, in het heden, in jou voortleeft en je bewustzijn overheerst.

Identificatie met het innerlijke kind

Wanneer je je met zo’n innerlijk kind identificeert, is het logisch dat je je ongemakkelijk voelt. Als kind ben je objectief niet in staat om de dingen te doen waar je als volwassene mee te maken krijgt. Het begrijpt allerlei dingen nog niet en kan nog geen volwassen taal spreken. Zo jong kun je je dus in het heden voelen.
Het is misschien vreemd om het je zo voor te stellen. Je lijkt immers volwassen in een volwassen lijf, maar op dat moment heb je een bewustzijn van een kind. Daar ben je je waarschijnlijk niet zomaar van bewust. Je wilt je ook helemaal niet als een kind voelen. Als anderen dat door zouden krijgen, zou dat nog schaamtevoller zijn dan de situatie al voor je is.

Hier zijn minstens vier reacties op mogelijk.

1. Verlamming of bevriezing: je kunt geen kant op

De eerste reactie is verlamming of bevriezing. Je raakt dan helemaal bevangen door gevoelens van onzekerheid en/of onmacht. Het komt niet in je op om in beweging te komen en bv. weg te gaan. Vaak weerspiegelt dat situaties in je vroege jeugd, waarin je niet de keuze had om te vertrekken, simpelweg omdat er geen andere plek was om naartoe te gaan. De enige manier om ‘weg te gaan’ was/is dan verlamming of bevriezing. Je verdooft jezelf, zodat je die nare gevoelens niet meer hoeft te voelen.

Het innerlijke kind zit dan als een konijntje in de koplampen van een auto/superego te staren en kan daar uit zichzelf niet uit loskomen. Het ís ook een onmogelijke situatie: voor een kind heeft een ouder in principe altijd gelijk. Dus als die zegt dat je dom bent, dan is dat blijkbaar zo. De meeste kinderen hebben (nog) niet het vermogen daar iets objectiefs tegenin te brengen.

2. Weggaan of je in jezelf terugtrekken

De tweede reactie op zelfoordeel is in beweging komen. Je wilt weg en dat doe je door daadwerkelijk de situatie te verlaten. Vroeger ging je misschien naar je eigen kamer, jouw toevluchtsoord in tijden van nood. Of je ging naar buiten of naar een vriendje of vriendinnetje, als je die al had. Of je trok je in jezelf terug, in je eigen innerlijke ruimte. Daar kon je weer wat tot jezelf komen.

Terugtrekken als reactie op zelfoordeel

Dit kan ook in je huidige leven je patroon zijn. Het geeft je in ieder geval de mogelijkheid iets van je eigenheid en eigenwaarde terug te vinden en je integriteit te behouden. Je probeert nog enige greep op je de situatie te krijgen.

3. Je identificeren met het superego

Gevoelens van onzekerheid en onmacht zijn pijnlijk. Een derde en tevens effectieve manier om die pijnlijkheid niet meer te hoeven voelen is, je met het superego te vereenzelvigen. Het is een vlucht vooruit. Voel maar wat voor een kracht schuilt in opmerkingen als: “Schiet nou eens op!”, “Stel je niet zo aan!”, “Ik zou je een schop onder je kont moeten geven!”, “Wat ben je dom!”. Als je je die energie gaat toe-eigenen, verdwijnt je gevoel van onzekerheid. Het geeft je de kracht om te doen wat het superego van je eist.
De prijs daarvoor is een verharding naar het onzekere innerlijke kind toe. Je voelt die kant niet meer en er is ook geen compassie voor. Je hebt vanuit deze positie vooral last van dat kindsdeel. Het maakt je alleen maar onzeker en dat is het laatste wat je wilt voelen.

Een dergelijke hardheid kan zich ook gemakkelijk op anderen richten. Je vuurt dan een superego op anderen af. Dat leidt je af van je eigen gevoelens van onzekerheid en het maakt dat anderen zich klein en onmachtig gaan voelen. Win-win voor jezelf, maar het gaat ten koste van de ander.

In feite is dit een positie van grandiositeit, waarin je jezelf groter en sterker maakt dan je eigenlijk bent en anderen kleiner en zwakker maakt dan ze zijn.

Gekopieerd gedrag

In mijn praktijk zie ik regelmatig hoe mensen superego-gedrag van verzorgende ouders in zichzelf hebben overgenomen. En hoe ze hun innerlijke én uiterlijke kinderen vanuit datzelfde gedrag benaderen. Dat is vaak heel pijnlijk om te zien. Temeer als mensen zelf in hun jeugd onder dat gedrag geleden hebben.

John had hardvochtige ouders.(1) Als hij iets had gedaan dat hen niet aanstond, werd hem dat duidelijk aan z’n verstand gebracht. Hij werd dan naar zijn kamer gestuurd, uit het zicht van z’n ouders. Als 6-jarige begreep hij vaak niet wat er aan de hand was, maar zat hij wel alleen met allerlei heftige gevoelens die hij niet goed kon hanteren. Na verloop van tijd kwam hij wat tot bedaren. Als John zich dit herinnert is zijn commentaar: “Als kind redde ik me uiteindelijk wel.” Dat dachten zijn ouders waarschijnlijk ook.

In een latere sessie vertelt hij over een voorval met zijn dochtertje van 4. Hij bracht haar onlangs naar school. Er was iets gebeurd waardoor ze behoorlijk overstuur was. Hij liet haar achter in de klas, terwijl ze nog niet helemaal gekalmeerd was. Eenmaal buiten liep hij nog even langs het raam, zag zijn dochtertje die zich probeerde groot te houden, en dacht: “Die redt zich wel.” Het was niet in hem opgekomen om haar verder te troosten.

Tijdens weer een andere sessie valt me op dat John een behoorlijk zelfoordeel heeft. Het wordt duidelijk dat er sprake is van een heel onzeker en verdrietig innerlijk kind.  Als ik vraag wat hij vanuit zijn volwassen bewustzijn voor dit kind voelt, dan blijken de gevoelens van dit kind hem niet echt te raken. Hij ziet het aan en zegt: “Die redt zich wel.” Het komt niet in hem op dat dit innerlijke deel ondersteuning van hem nodig zou kunnen hebben.

4. Je bewust zijn van beide posities

De vorige drie reacties op de pijnlijkheid van zelfoordeel zijn vrijwel altijd onbewuste automatische reacties. Ze laten je geen keuze. Zo ben je nou eenmaal gewend te reageren.

Op het moment dat je je bewust wordt van zelfoordeel en van de gevoelens die dat oproept, ontstaat een nieuwe mogelijkheid. Je voelt je ongemakkelijk en beseft dat er sprake is van een superego-aanval. Je kunt je gaan afvragen waar je je mee identificeert: een superego of een innerlijk kind. In feite ben je dan geïdentificeerd met een meer volwassen bewustzijn dat de hele dynamiek overziet. Vanuit dit waarnemende bewustzijn kun je tot andere oplossingen komen van het innerlijke conflict. Daar gaat het volgende twee artikel in deze serie over.

© Chris Elzinga, 15 februari 2019

Noten:

(1) Dit verslag heb ik samengesteld a.d.h.v. situaties die diverse cliënten in mijn praktijk in hebben gebracht. De naam is gefingeerd.

Het eerste artikel in deze serie heet: Innerlijke kinderen en het superego (1): het zelfoordeel.
Het vervolg zal binnenkort verschijnen: Innerlijke kinderen en het superego (3): oplossing van het innerlijk conflict.