A.H. Almaas over ego en het innerlijke kind (2011)

A.H. Almaas heeft in zijn boek Diamond Heart, Book Five: Inexhaustible Mystery een heel helder stuk geschreven over hoe het ego en het innerlijke kind zich tot elkaar verhouden. Ik vond dit zo de moeite waard dat ik hiervan een vertaling heb gemaakt.

Almaas Book 5Vertaling van p. 72-76 van het boek van A.H. Almaas: Diamond Heart, Book Five: Inexhaustible Mystery, Shambhala Publications 2011.

“Het is belangrijk dat kind te herkennen, haar angsten te begrijpen, haar behoeften te erkennen, haar verlangens te respecteren en haar op een directe manier vast te houden en gerust te stellen.

Dit kind in jou, dat de kern is van wat we het ego of de persoonlijkheid noemen, voelt zich totaal alleen zonder deze geruststellende objecten. Dit kind stelt zichzelf gerust met allerlei soorten dekentjes, overgangsobjecten, teddyberen en zachte dingen om zichzelf te helpen voelen dat dingen in orde zijn. Het ego-zelf, of het innerlijke kind als de kern daarvan, is niet verlicht; het weet niet dat het helemaal goed is om het dekentje los te laten. Dit deel van je ziel is bang, gewond en vol twijfel. Dit innerlijke kind heeft opvoeding nodig. Jouw essentie is de opvoeder, de leraar. Dit altijd kinderlijk blijvende deel van de ziel zal niet luisteren, laat staat leren, tenzij er voldoende compassie, liefde en acceptatie is. Het kind is bang en weet niet wie het kan vertrouwen. Het weet niet naar wie het zich kan wenden. Wanneer het jou of mij hoort praten over de dood van ego, denkt het: “O, o, nu gaan ze me dood maken”. Dit diepe deel van je persoonlijkheid begrijpt niet wat ego-dood betekent; het hoort “dood” en het wordt doodsbang.

M.a.w. een diep en centraal deel van jou denkt als een kind. Rationele dingen bereiken het niet, noch raken die het. We moeten dit deel van ons met liefde, zachtheid, vriendelijkheid en begrip benaderen. We moeten haar hulpeloosheid begrijpen, haar angst, kwetsbaarheid, haat, angst, afhankelijkheid en onwetendheid. Uiteindelijk is het innerlijk kind niet reëel, maar dat weet het niet. Jij weet het, maar het kind weet het niet. Het innerlijke kind neemt aan dat het jou is. Het voelt zich verschrikkelijk over zichzelf, boos, schuldig, maar het weet niet hoe anders te zijn. Dat is een reëel dilemma. We hebben allemaal een innerlijk kind dat onwetend is, bang en losgekoppeld van haar ware essentie, dat niet geraakt is door onze verheven en transcendente ervaringen, dat het nog steeds nodig heeft verzorgd te worden en geliefd te zijn.

We kunnen niet proberen er vanaf te komen, noch verdwijnt het eenvoudigweg vanwege onze verlichtingservaringen. Proberen ervan af te komen is onmogelijk en bovendien de verkeerde weg om te gaan. Als we proberen ervan af te komen wordt het innerlijke kind alleen maar obstinater en banger. We moeten het met mildheid en liefde opvoeden. Na verloop van tijd zal het innerlijke kind oplossen, wegsmelten en zachter worden. Het zal op een natuurlijke manier in haar essentiële aard smelten en geïntegreerd raken. Het zal zichzelf echter alleen toestaan te smelten als het zich geliefd en veilig voelt. Als we het afwijzen en veroordelen, zal het ertoe neigen zichzelf te isoleren en te beschermen.

Het innerlijke kind is een diepe structuur van de persoon die je denkt te zijn, het beeld dat je hebt aangenomen om jou te vormen. Natuurlijk ervaar je jezelf niet altijd als een kind. Soms voel je jezelf als een kind, soms als een volwassene, andere keren iets daartussenin, en soms zelfs als een zuigeling of een embryo. Het beeld verandert steeds; het blijft niet exact hetzelfde. Soms is het slechts een klein ding dat in ruimte zweeft, soms is het een beeld van een man of vrouw, soms een tiener, soms grandioos, soms hulpeloos. Het beeld structureert de ziel in een ego-zelf, waarvan we uiteindelijk geloven dat we diegene zijn, dat dit alles is wat we zijn, terwijl het in feite slechts een vorm is die de ziel aanneemt. Maar het is belangrijk te begrijpen dat het innerlijke kind eenvoudigweg een innerlijke structuur is, een construct van onze geschiedenis, en dat het noch op zichzelf bestaat, noch dat het hoeft te blijven bestaan als een vormgevende structuur in onze ervaring.

Alle manifestaties van essentie, waarheid en realiteit zijn nodig om dit kinderlijk deel van ons door te werken. De Ware Aard van alles [CE: vertaling van ‘True nature’], met alle kwaliteiten van compassie, liefde, aanvaarding, wil, kracht enz. zijn uiteindelijk nodig om de leraar te worden voor dit onrijpe deel van onze ziel. We begrijpen en accepteren deze ego-structuur en dit onrijpe deel van de ziel door het toe te laten te voelen wat het voelt en te denken wat het ook maar denkt, zonder haar gevoelens of gedachten of behoeften te veroordelen. We wijzen het niet af omdat het een slechte gedachte heeft; integendeel, we kijken en zien wat er gebeurt. Als het boos is, laat het boos zijn, zelfs als je niet kan begrijpen waarom het boos is. Hoogstwaarschijnlijk is er gekwetstheid  onder de boosheid. Als het grandioos is en trost op zichzelf, vind uit waarom, omdat het zich waarschijnlijk deficiënt en bang voelt. Als het angstig is of doodsbang, heeft het jouw compassie meer nodig dan iets ander. Het is belangrijk dit kinderlijk deel emotioneel en psychologisch te begrijpen, niet alleen epistemologisch, als een constructie, opdat het geïntegreerd kan worden in ons rijpingsproces.

Deze kinderlijke structuur toestaan om exact te zijn waar het is, houdt gewoonlijk in dat we met het superego te maken krijgen. Het superego bekritiseert dit onrijpe deel en laat het in de steek precies omdat het op deze manier [CE: doordat het onrijp is] beïnvloed kan worden. Jouw essentie, jouw ware aard voelt zich niet afgewezen of veroordeeld, noch geeft het iets om deze manifestaties. Onze essentiële aard heeft geen aandacht voor deze dingen. Maar dit onrijpe deel van je, het ego-zelf, heeft juist aandacht voor deze dingen. En het is een deel van jou dat opgevoed moet worden, om beetje bij beetje rijp te worden door een geleidelijk en zachtmoedig leerproces.

Het onrijpe deel toelaten betekent niet dat je het als een razende tekeer laat gaan of dat je het je leven laat vernielen. Wanneer ik dus zeg dat je het kind in je moet accepteren en begrijpen, bedoel ik niet dat je het een vrijbrief geeft om al haar gevoelens en impulsen naar buiten te gooien. Accepteer hoe het is, hoe het zichzelf ervaart, maar accepteer geen acties die jouzelf of anderen kwaad zouden kunnen doen. Soms zou dat deel van jou bijvoorbeeld kunnen voelen dat het zichzelf wil ophangen; maar accepteren betekent niet dat je naar buiten gaat en het doet. Natuurlijk laat je het deze dingen voelen, wat jou een gelegenheid biedt te begrijpen waarom het op die manier voelt. Je luistert naar dit deel van je met sympathie. “Ah, je wilt jezelf ophangen, je moet wel een zware tijd gehad hebben. Wat zit je dwars?” Je probeert uit te vissen wat er gaande is met dit kind. Het moet wel heel erg bang of gekwetst zijn, of iets zit het verschrikkelijk dwars, waarom zou het anders zo’n gewelddadige drang hebben?

Je zegt niet: “Oh, verschrikkelijk, slecht” en geeft het een pak slaag en stuurt het naar haar kamer. Maar je laat het zichzelf evenmin ophangen of anderen schade toebrengen, het huis overhoop halen of lui zijn en jarenlang op de bank liggen zonder iets nuttigs te doen. Je moet het met stevigheid behandelen, evengoed als dat je liefdevol en zacht moet zijn, anders zal het niet opgroeien. Deze evenwichtige houding en leiding is wat het uiteindelijk zal helpen om te leren.

Uiteindelijk moeten niet alleen het innerlijk kind, maar al onze gedachten, fantasieën, gevoelens en dromen begrepen worden, en niet worden veroordeeld en afgewezen. De onrijpe delen blijven in onze ervaring opkomen vanwege een gebrek aan kennis en begrip en, uiteindelijk, vanwege onwetendheid. Geen gedachte of gevoel in jou zou verboden moeten zijn. Elk gevoel, elke gedachte, elk idee, ongeacht hoe prachtig of hoe walgelijk, zou toegelaten moeten worden. Absolute vrijheid is nodig om te denken, te voelen, te wensen, voorstellingen te maken en te dromen. Deze dingen zouden echter toegelaten moeten worden in de context van begrip en niet van toegeeflijkheid. We kunnen niet vrij zijn van de macht van concepten als we niet open voor ze zijn en voor hun emotionele manifestaties.

De onwetendheid van ego begrijpen, de onwetendheid die het resultaat is van wat we vergeten hebben, is noodzakelijk voor het onrijpe om rijp te worden. De ziel, ons individueel bewustzijn, is veel meer dan dit onrijpe ego-deel. Ze groeit echter niet, of groeit met diverse onevenwichtigheden, wanneer ze niets met het onrijpe deel van haar doet. Meestal groeit ze niet omdat ze zich identificeert met dit onrijpe deel en ze gelooft dat dit de totaliteit is wie ze is. Alleen door bevrijd te worden van dit innerlijke kind en door dit in de grotere context te integreren, kan zij groeien. Als dit deel groeit, groeit de ziel samen en onafscheidelijk van dit deel. In die gevallen waarin de ziel ontwikkelt zonder met dit onrijpe deel te werken, is de ontwikkeling scheef, niet evenwichtig, en leidt dit gewoonlijk tot eigenaardig en vreemd gedrag en houdingen, zoals je die vaak ziet in spirituele kringen. Er is dan geen echte rijpheid. De enige manier voor de ziel om naar ware rijpheid te bewegen is door op een echter manier in het reine te komen met dit onrijpe deel, het te integreren en het in haar ontwikkeling op te nemen. Dan groeit de ziel als een geheel, met evenwicht en gratie.”

Almaas, A. H., Diamond Heart, Book Five: Inexhaustible Mystery, p. 72-76. Shambhala 2011

Vertaling door: Chris Elzinga
Haarlem 12 augustus 2014

Dit artikel sluit aan op het vorige blogartikel ‘Wat is de relatie tussen ego en het innerlijke kind’.

One Comment

  1. Joëlle 14 januari, 2018 at 10:52 - Reply

    Mooi vertaald!

Leave A Comment